LEVENSKUNST

Tijdsfasen detail

Zuigeling
Vertrouwen én wantrouwen staan centraal in het contact met de verzorgers. De baby is afhankelijk van de verzorgers en moet hen dus vertrouwen, maar soms verdwijnen deze of treedt een nieuw iemand op als verzorger. De uitdaging is een gevoel van zelfvertrouwen te ontwikkelen. De baby moet erop leren vertrouwen dat hij in staat is van anderen te krijgen wat hij nodig heeft. Wordt de baby veel geknuffeld, vertroeteld en goed verzorgd, dan zal hij de wereld rondom hem als positief ervaren. Dit vertrouwen in de omgeving vormt een noodzakelijke basis voor de volgende stadia. Het kindje leert immers open te staan voor nieuwe ervaringen zonder angst of defensieve houding.

Peuter
In deze fase groeit het gevoel van autonomie (zelfstandigheid en onafhankelijkheid). De zindelijkheidstraining wordt belangrijk. Het gevoel van autonomie, zelf baas zijn over het eigen lichaam, komt af en toe in conflict met het ouderlijk gezag. De uitdaging voor de peuter is zich aan te passen aan de sociale regels of het gezag van de ouders/verzorger zonder schaamte of onzekerheid te voelen. De peuter wil het eigen territorium beheersen. Het begint bij het kleinste territorium, zijn eigen lichaam, en zal zich snel uitbreiden naar zijn eigen bed, het speelpark, de speelkamer, de woning etc. De peuter gaat dit zien als zijn eigen territorium waar het zelf kan bepalen wat er gebeurt. Hij vecht om zijn autonomie en kan hierbij erg lastig of koppig optreden. Woordjes als ‘ik’, ‘mijn’ en ‘nee’ zal je veelvuldig horen. Deze gedragingen helpen hem echter zijn terrein te beschermen tegen inperkingen van buitenaf. Opvoeders kunnen hierop het best reageren door een zekere maar niet te zware tegenstand te bieden. Zo leert de peuter op een sociaal verantwoorde manier territorium te winnen en/of te behouden. De overwinningen en nederlagen zullen hem sterker maken voor de volgende fasen.

Kleuter
De kleuter gaat veel fantaseren over de rollen van volwassenen en worden ze nieuwsgierig naar hun lichaam en dat van anderen. ‘Vadertje en moedertje’ of ‘doktertje’ zijn voorbeelden van spelgedrag waarin dit duidelijk wordt. De genitaliën vormden dan ook de belangstellingszone. De kleuter ontdekt het verschil tussen jongen en meisje zijn en weet dat mama een meisje is en papa een jongen. Om de liefde van de ouder van het andere geslacht te winnen zullen kinderen de strijd aangaan met de ouder van hetzelfde geslacht.
Ze bruisen van energie en willen tonen wat ze allemaal al kunnen: springen, lopen, gooien, schommelen, etc. Ouders zullen proberen om de energie in goede banen te leiden. Het kind komt voor een nieuwe uitdaging te staan: het moet leren zulk gedrag te stellen dat enerzijds positief gewaardeerd wordt door anderen en dat hem anderzijds toelaat zijn eigen (fysieke) mogelijkheden en de buitenwereld verder te verkennen.
Het kind breidt zijn territorium uit en leert nu ook de verwachtingen, normen, geboden en verboden van die wereld uit. Er ontstaat een eerste vorm van moreel en ethisch bewustzijn: het superego wordt gevormd. Dit biedt richtlijnen voor de kleuter. Hij weet nu dat bepaalde gedragingen als ‘lief’, ‘goed’ en ‘braaf’ bestempeld worden. Het superego is ook een van de grootste tragedies in het leven omdat dit ‘schuldgevoel’ mogelijk maakt. Als de kleuter er niet in slaagt aan de normen te voldoen, ontstaat een gevoel van ‘schuld’. Als een kleuter zich niet slim, handig, vaardig genoeg voelt, zal hij minder initiatief durven nemen uit angst opnieuw negatief gewaardeerd te worden. Te weinig initiatief tijdens de kleutertijd kan later leiden tot een gebrekkige en onvoldoende integratie in de wereld. Goed functioneren in de maatschappij en een gezonde persoonlijkheidsontwikkeling komen in het gedrang. Ouders kunnen samen met hun kinderen activiteiten doen waarbij de kleuter en de ouder vanuit een gelijke positie deelnemen. Ze mogen niet te streng zijn en de kleuter niet voortdurend wijzen op fouten en beperkingen.

Basisschool
Dit is een stabiele periode die heel wat groeikansen biedt aan het ‘ego’. Het vertrouwen in het eigen kunnen neemt toe als een kind zich inzet om nuttige vaardigheden te ontwikkelen op school en daarbuiten. De uitdaging voor het kind is cultureel en sociaal relevante taken te kunnen uitvoeren zonder zich inadequaat te voelen. Het kind wil iets betekenen binnen het gezin en daarbuiten. Die buitenwereld wordt als een objectieve wereld ervaren. Hierin aanvaard worden, meetellen, een rol mogen spelen, is enorm belangrijk.
Het kind ontwikkelt een toekomstperspectief voor zichzelf in die objectieve, zakelijke wereld. Het wil later dat beroep uitoefenen, zo een auto kopen, in dat huis wonen of zoveel kinderen hebben. Dit dromen is gezond voor de verdere ontwikkeling, maar kan snel verdwijnen als het kind veelvuldig mislukkingen ervaart. Het kind zal zichzelf ongeschikt en nutteloos voelen; het minderwaardigheidsgevoel. Het gevoel niets waard te zijn kan de identiteitsontwikkeling aantasten en tot ongepast gedrag leiden: criminaliteit, agressiviteit of aandacht proberen te kopen.
Leerkrachten zijn belangrijk in de ontwikkeling van kinderen tot constructieve, zelfzekere en betekenisvolle individuen omdat heel wat taken en vaardigheden op school worden (aan)geleerd.

Adolescentiefase
Seksuele en agressieve driften, die sluimerden tijdens de basisschoolleeftijd, worden opnieuw wakker. Ze bedreigen het ego doordat de eigen identiteit weer opspeelt. De belangrijkste uitdaging is de kinderlijke identiteit om te vormen tot een volwassen identiteit. “De essentiële ontwikkelingstaak is het ontdekken van de werkelijke identiteit middenin de verwarring die ontstaat bij het vervullen van het toenemend aantal rollen”. Positief is het bereiken van de eigen identiteit; negatief het blijven steken in een identiteitsverwarring.
De adolescent zal een gezonde identiteit bereiken met voldoende zelfvertrouwen als in de vorige fasen voldoende basisvertrouwen, zelfstandigheid en zin voor initiatief zijn ontwikkeld. Veel verwarring zal ontstaan als de negatieve polen (wantrouwen, schaamte, schuldgevoelens, minderwaardigheidsgevoelens) een sterke rol spelen. Dit kan zelfs een identiteitscrisis veroorzaken. Het grote aantal zelfmoorden en zelfmoordpogingen tijdens deze leeftijd is hiervan een triest bewijs.
Een identiteitsverwarring ontstaat vanuit de confrontatie met fundamentele vragen en twijfels rond de eigen ‘ik’; ‘wie ben ik eigenlijk?’, ‘wie zou ik willen zijn?’ en ‘hoe zien anderen mij?’. De ideeën hierover kunnen van moment tot moment sterk wisselen. Onzekerheid groeit uit de angst niet aan de verwachtingen van anderen (ouders, vrienden, familie, leerkrachten) te voldoen en uit de bezorgdheid over de toekomst.
Om deze onzekerheid de baas te worden, gaat de jongere op zoek naar een groep om bij te horen. Deze vindt hij pas nadat hij eerst een persoonlijke levensstijl heeft gekozen. Deze processen vragen tijd en verlopen niet altijd zonder problemen. Kritieken, afwijzingen of goedkeuringen vanuit verschillende hoeken bepalen het verloop. In deze fase kan de jongere allerlei rollen en identiteiten uitproberen om te ontdekken wat het beste past. Er is geen maatschappelijk engagement (bijvoorbeeld de zorg voor het eigen levensonderhoud); er is tijd en ruimte voor bezinning, voor het sleutelen aan de eigen identiteit en het uitwerken van relaties met de sociale omgeving.

Jongvolwassenheid
De jongere is te veel met zichzelf bezig om intimiteit te bereiken met de partner. Deze uitdaging is pas haalbaar na het ontwikkelen van de eigen (volwassen) identiteit. Bij vaste relaties en huwelijken op jonge leeftijd is het gevaar dat er te weinig ontwikkelingsruimte rest voor de eigen identiteit. Men is te veel bezig met de ander en diens verlangens zonder stil te staan bij de eigen behoeften en het eigen toekomstperspectief. In de jongvolwassenheid, ontstaat wel ruimte voor intimiteit en gemeenschappelijkheid (positieve pool). De jonge volwassene ontdekt hoe een ander (de partner) een aanvulling kan zijn. Samen dingen ondernemen, zonder zichzelf weg te cijferen, komt centraal te staan.
De negatieve pool is isolatie en zelfgerichtheid. Blijft men te veel bezig met zichzelf, de eigen verlangens, het eigen werk, etc. dan ontstaat het risico geïsoleerd te geraken. ‘We hebben te weinig gemeen’, is vaak het pijnlijke besluit bij het op de klippen lopen van een relatie. Ook op lichamelijk vlak is intimiteit en gemeenschappelijkheid van belang. Echte intimiteit houdt in de belangrijkste aspecten van het leven met elkaar te willen delen en vormt een stevige basis voor de volgende fasen.

Volwassenheid
Als twee mensen intimiteit hebben ontwikkeld in hun relatie, zal hun belangstelling ruimer worden dan het gemeenschappelijke leven samen. Ze willen vooruit, ze willen iets nieuws en gaan denken aan de volgende generatie. Generativiteit kan zowel op voortplanting slaan als op het realiseren van ideeën. Hiertegenover staat stagnatie als negatieve pool. Ze blijven vaststeken waardoor de intimiteit eerder schijnintimiteit wordt. Ook bestaat het gevaar dat de partners elkaar als hun kind gaan zien.

Ouderdom
Mensen worden geconfronteerd met zowel fysieke als sociale teruggang: het lichaam kan steeds minder aan en de sociale omgeving krimpt. Naast externe aanpassingen, moet tevens een interne strijd gevoerd worden. Daaruit kan dan wijsheid groeien. De uitdaging bestaat erin ‘ego-integriteit’ te bereiken en niet te vervallen in wanhoop of depressies. Ego-integriteit is de acceptatie van zichzelf en de eigen levensloop. Wint deze positieve pool het van de wanhoop dan zal men tevreden kunnen sterven. Bij het naderen van de dood wordt immers de balans van het leven opgemaakt.